Wat er ook gebeurt, vertrouw op Allah!

Hoe vaak merken we, bij onszelf en de mensen rondom ons, dat het moeilijk wordt “alhamdolillah” te zeggen wanneer tegenslag ons treft… Bij problemen gaan we al snel Allah in vraag stellen: “O ja? Waar is zijn Rizq nu? Ik kom niet rond om de huur te betalen en eten te kopen!” “Hij is de Genezer? O ja? Waarom lig ik dan hier af te zien?” Lees verder

Advertenties

Eid ! Daar is Iblies weer…

Samengevatte vertaling van deel 2 van “Looking ahead

Iblies en zijn trawanten zitten opgesloten tijdens de Ramadan. Maar die loopt op z’n eind. Dus… wat staat ons straks te wachten? Hij heeft gezworen dat hij ons absoluut zeker zal misleiden en verwarren (dalal is zowel misleiden als in de war brengen).

Hij leeft ervoor om ons te doen afdwalen.

Lees verder

Islam en goede vrienden

“Maar wat zich bij Allah bevindt is beter en blijvender
voor hen die geloven en die op hun Heer vertrouwen.”

(De Edele Quran 42:36-37)

Allah zegt: “Alles wat jullie werd gegeven zijn nutsvoorzieningen, tijdelijke zaken om te genieten en te gebruiken. En wat Allah heeft, is beter en het gaat langer mee.” Je hebt een toffe “kar”? Allah heeft een betere kar en die zal langer meegaan. Je hebt een huis? Allah heeft een beter huis en het zal langer meegaan!

Alles wat Allah ons zal geven zal beter zijn en het zal langer duren. 

“En ze vertrouwen er volledig op dat wat Allah hen in Akhirah (het Hiernamaals) zal geven inderdaad beter IS.” Zelfs al heb je een goed leven, wat Allah je zal geven is beter en het duurt langer. Dat is het geloof waarmee je moet leven.

Allah zegt: “Willen jullie mensen van het Hiernamaals zijn?
Het eerste wat je me dan geeft is dat je geen grote zonden begaat!”

Grote zonden, zoals het verbruik van haraam, de zina van de ogen, iemand doden en riba (intrest) verbruiken, verdienen en ondersteunen! Je kan jezelf mettertijd verbeteren en werken aan de kleinere punten, maar de EERSTE prioriteit zijn de belangrijkste, grote zonden! Zelfs al zeg je: “Ik zit in een onschuldige zakenbranche: ik doe immobiliën!” OK, dat is onschuldig genoeg … “Maar ik verhuur mijn opslagplaats aan een club.” Je bent misschien niet de verdorvene, maar je bent de oorzaak van verderf! Je bent medeplichtig!

Houd dus eerst en vooral op met de grote dingen!
En dan de tweede verdedigingslijn: 

Stop met alle vormen van schaamteloosheid.

Ik heb heel specifiek schaamteloosheid benadrukt terwijl ik met jullie praatte: daten, pornografie, dat soort zaken… Waarom? Omdat Allah de grote zonden nam, en meteen nadat Hij die onder de aandacht heeft gebracht, verwijst Hij NOG eens, apart, naar schaamteloosheid en alle vormen ervan. Elke daad ervan, elke blijk ervan, alles wat je er zelfs maar in de buurt brengt… vermijd het allemaal!

Dus hoe ga jij jezelf omringen met mensen die je zullen helpen
de grote zonden te vermijden, die goed gezelschap voor je zijn
en je op de goede weg houden? En als je eens afglijdt dan zijn zij er
om je tegen te houden en weer op te pikken.

Bron: Pareltjes uit de Quran – Juz 25
Integrale vertaling Nederlands:

http://mariaminislam.wordpress.com/2013/08/01/pareltjes-van-de-quran-juz-25/

Bespreking in het Engels, door Nouman Ali Khan:
http://www.youtube.com/watch?v=iLvV_1JT2Ik&list=PLHPW7nn9Wmb4D4uXughue9A8zUsinaelQ

Het Youtube kanaal van Quran Weekly:
http://www.youtube.com/user/QuranWeekly

Kain en Abel

(Khutbah van Nouman Ali Khan)

In de toekomst zal ik af en toe over Soerat ul Ma’idah spreken. In de Quran is Al Ma’idah de vijfde Soera, een van de langste ook. Wat zo bijzonder is aan deze Soera is dat ze pas aan het einde van de loopbaan van de Profeet (vrede en zegeningen zijn met hem) werd geopenbaard, dus chronologisch gezien is het een van de laatste boodschappen van Allah.
Het is belangrijk dat we de achtergrond ervan kennen, over wanneer ze werd geopenbaard en waarom ze zo belangrijk is voor de Moslims. Dan pas kunnen we er lessen uit trekken. Wat ik daar nu over zeg, herhaal ik niet meer in de volgende Khutbahs. Ik verwacht van je dat je dit insha’ Allah, onthoudt zodat je ook meer hebt aan deze overwegingen.

Rasoel (vzzmh) werd niet alleen gezonden als een Boodschapper voor de Arabieren, maar voor de hele mensheid. Eens de Moslims Mekka hadden veroverd, werd het tijd te beseffen dat ze meer en meer te maken zouden krijgen met mensen van overal in de wereld. Sommige Sahaba kwamen terecht in India en China, velen van hen belandden in Afrika en zelfs in Europa. De Moslims begonnen zich overal te verspreiden. De Quran had al voorspeld dat dit zou gebeuren: “Wa aakhirina minhum, lamma yarhaqqu bihim – er zijn anderen dan hen (de Arabieren) die zich nog niet bij hen hebben aangesloten.” (Surah Jumu’ah) Allah kondigt aan dat er mensen zullen bijkomen en al heel snel, in minder dan een eeuw, bestond de meerderheid van de Moslims uit niet-Arabieren.

Allah wist dus dat we binnenkort in contact zouden komen met andere culturen, tradities, volkeren, talen,…  en dat die andere volkeren de meerderheid zouden uitmaken van de mensen die geloven in “Laa illaaha illa Allah, Muhammad ur Rasoel ullah.” Dat is Allah’s grandioze plan.

Het was Allah’s plan
om de Moslims voor te bereiden
op de manier waarop ze moeten omgaan
met die andere volkeren.

Hoe moet die interactie verlopen? Uiteindelijk moeten mensen nu eenmaal met elkaar omgaan. Ze zijn elkaars buren, drijven handel, hebben met elkaar te maken. Daarom krijgen we de geestesgesteldheid waarmee we met de wereld moeten omgaan hier, in Soera al Ma’idah: “Nu ben je klaar om de wereld aan te kunnen.” 

De eerste en ook belangrijkste
interactie die er aan kwam
was die met Christenen en Joden

Daarom legt deze Soera zo’n nadruk op onze relatie met Joden en Christenen en  op onze manier van omgaan met hen: hoe we met hen zullen moeten samenwerken voor goede zaken, hoe we met hen samen zullen eten en hen zullen uitnodigen om bij ons te komen eten. Dit soort zaken komt hier niet zonder reden aan bod want het is op die manier dat de Islam zich kort daarna zou verspreiden. 

Eén aspect daarvan zijn de verhalen. Je weet dat de Quran vol verhalen en historische verslagen staat. Allah kent de hele geschiedenis van de mensheid. Niemand kent de geschiedenis zo goed als Allah zelf, want Hij kent jouw persoonlijke geschiedenis en de mijne, èn Hij kent de geschiedenis van de hele mensheid. Maar…

Allah heeft beslist
om enkele kleine uittreksels

uit die geschiedenis
in Zijn Boek op te nemen.

Er is in het verleden véél meer gebeurd dan wat we in de Quran vinden. Allah besloot dus om enkele heel bijzondere momentopnames uit het verleden in Zijn Boek te verwerken opdat jij en ik zouden begrijpen dat die weinige ogenblikken horen tot de belangrijkste lessen die we nodig hebben. We kunnen uiteraard lessen trekken uit de hele geschiedenis, maar voor Allah zijn dit enkele kantelmomenten uit onze geschiedenis die we nooit mogen vergeten en waarvan we de lessen altijd nodig zullen hebben. 

Wat dus zo bijzonder is aan deze Soera
is dat Allah, net wanneer we meer
met andere volkeren in contact komen,
ons zoveel verhalen aanreikt

Een van de meest eigenaardige en moeilijkst te begrijpen van die verhalen vinden we in deze Soera: het verhaal van de twee zonen van Adam (vzmh). Uit overleveringen weten we dat ze Habiel en Kabiel heten (de Bijbel noemt hen Kaïn en Abel). Eigenlijk is dit het eerste verslag van menselijke activiteit in de Quran. Sinds Adam uit Jennah naar de aarde werd gezonden, is wat er gebeurde tussen zijn twee zonen het eerste voorval waarover we worden ingelicht. Waarom is het belangrijk dat we dit verhaal te horen krijgen? Dat horen we zo meteen in deze Khutbah. 

Maar eerst wat achtergrond.
Een van de redenen waarom Iblies ongehoorzaam was aan Allah, is omdat hij gewaardeerd wilde worden. Hij wilde erkenning van Allah voor zijn werk. Maar toen hij merkte dat Adam werd uitverkoren, dat Adam een Ruh kreeg en dat Allah van de engelen verlangde dat ze de schepping en talenten van Adam zozeer bewonderden dat ze voor hem zouden neerknielen, voelde hij zich beledigd. Hij dacht “Ik dien Allah nu al zovele duizenden jaren, ik heb Hem altijd gehoorzaamd. Wanneer krijg ik eindelijk eens wat erkenning? Waarom waarderen ze hèm meer dan mij?! Het lijkt wel alsof ik onzichtbaar ben, alsof ik er niets toe doe!”

Jij en ik weten echter dat Allah alles ziet wat we doen. Het is iets heel subtiel, maar zo belangrijk dat we het begrijpen: Hij ziet en weet alles wat we doen, Hij erkent alles wat we doen, Hij hoort alles wat we doen en zeggen. Hij weet hoe ons hart er uit ziet en de enige op wie we indruk moeten maken is Hij, Allah.
Maar voor Iblies ging het niet alleen om Allah. Het stoorde hem dat al die engelen die ànder respect moesten betuigen en niet hem. Het ging hem niet om de erkenning van Allah, maar om de waardering van de rest van de schepping

Iemand die alleen maar wil dat Allah hem waardeert, heeft geen nood aan een demonstratie van die waardering van anderen. Ze hoeft niet uitgestald worden. Of de engelen voor Adam (vzmh) neerknielen of niet, verandert eigenlijk niets. Iblies weet dat Allah alles ziet, erkent en waardeert wat hij doet. Een van Allah’s namen in de Quran is: inna Allaahu Shaakiroen – Allah is waarderend. Iblies wéét dat. Maar waar hij op uit is, is niet Allah’s waardering. Hij wil dat ze wordt gedemonstreerd, zodat de Engelen kunnen zien hoe fantastisch hij wel is. Omdat hij die publieke waardering niet krijgt wordt hij boos. Wat denk je dat hij nu van plan is?

Hij wil dat mensen bezeten zijn van dat soort erkenning, dat ze verlangen naar de erkenning en waardering van andere mensen. Hij wil dat ze overspoeld worden door negatieve gedachten wanneer ze zich niet gewaardeerd voelen: “Dat Allah ziet en waardeert wat ik doe interesseert me niet. Waarom waarderen de mènsen me niet?” 

Een voorbeeld, voor we het verhaal in duiken.
Iemand is vrijwilliger in de moskee. Elke dag stofzuigt hij de gebedsruimte, zet hij alles klaar voor het gebed, geeft hij de Adhaan,… Dan wordt er een inzameling gehouden en de spreker bedankt de vrijwilligers, en dan vooral “broeder Muhammad die hier vorige week is komen wonen”. En de man die al tien jaar lang zo hard werkt als vrijwilliger weet niet wat hem overkomt: “Wat?8 Ik ruim hier elke morgen op, ik geef de Adhaan, ik open de moskee ‘s morgens en sluit ‘s avonds als laatste af en wie krijgt de eervolle vermelding? Die vent die hier pas een week is! Wel, ik kom nooit meer naar deze moskee! Van mij krijgen ze geen cent meer! Beter nog, ik vraag mijn geld terug!” Hij is boos. Hij is echt van streek.
Waarom is hij zo boos?
Alles wat je in het huis van Allah hebt gedaan, heb je gedaan voor Allah en Zijn waardering. Maar je voelt je beledigd omdat de mensen het niet erkennen. Als je uit bent op de waardering van mènsen, geef dan toe dat je het voor hèn doet. Deze gedachten zijn soms wel een goede manier om af te toetsen voor wie we eigenlijk doen wat we doen. De duivel was uit op de waardering van alle anderen, niet die van Allah.

De erkenning van Allah hàd Hij al.
Allah weet alles, ziet alles.
Maar voor Iblies volstond dat niet.

“En lees hun de mededeling over de twee zonen van Adam naar waarheid voor.” (Ayah 27) Allah geeft ons niet eens hun namen. We kennen ze wel, maar niet uit de Quran. En wanneer Allah iemands naam niet vermeldt, doet Hij dat omdat Hij wil dat je je op iets anders concentreert, dat je oplet op wat Hij zegt. De les is veel belangrijker dan plaats en datum, hun naam en hun leeftijd,…
“Bi’l haqq” zegt Allah. Met andere woorden, dit verhaal is waar (dat is één betekenis van Haqq), maar het heeft ook een duidelijk doel (ook een betekenis van Haqq). De bedoeling van dit verhaal is niet om informatie door te geven over wat er is gebeurd. 

De bedoeling van dit verhaal is
dat jij en ik er zinvolle lessen in ontdekken
die ons leven zullen beïnvloeden.

Dit is een verhaal over iets dat tienduizenden jaren geleden is gebeurd – Allah weet hoe lang. Mocht je het verhaal niet kennen: de ene broer vermoordt de ander, de eerste moord wordt gepleegd. Dat is de informatie, maar er zit een bedoeling achter het vertellen van dit verhaal. Dat is waar Allah onze aandacht op wil vestigen. 

“Toen zij een offer brachten …” Ze brachten allebei een offer. Ook toen al had Allah de mens opgedragen offers te brengen. Uit zowel de Quran als de Bijbel weten we dat Allah in de vroegste geschiedenis veel meer mirakels liet zien. Eén van die wonderen was dat een offerdier dat door Allah werd aanvaard door een vuur uit de hemel werd verteerd. Dit was zo algemeen verspreid in de Bijbelse en Joodse traditie, voor de komst van de Islam, dat de mensen aan Profeet Muhammad (vzzmh) vroegen waarom hij niet dat bijzondere vuur kreeg. 

“Het offer van een van beiden werd aangenomen. En het werd van de ander niet aangenomen.” Dus één van de twee offers werd door vlammen verteerd en het andere niet. Nu, voor wie werd dat offer gebracht? Voor Allah, toch. Net zoals wij ons offer met Eid brengen voor Allah. Net zoals we onze gebeden verrichten voor Allah. Als je iets doet voor Allah en je ontdekt dat Allah het niet van je aanvaardt, waar moet je je dan zorgen over maken? Toch alleen over jezelf? “Wat heb ik verkeerd gedaan? Misschien was mijn intentie niet zuiver genoeg? Was mijn inkomen niet rein genoeg? Heb ik het ritueel verkeerd uitgevoerd? Enz…” Je hoort je te concentreren op wat JIJ verkeerd hebt gedaan.
Maar toen het ene offer wel en het andere niet werd aanvaard, was Habiels eerste reactie: “Ik sla jou dood!” Dat is verwarrend. Waarom wil hij zijn broer vermoorden omdat zijn offer wèl werd aanvaard?! Als hij dat offer omwille van Allah had gebracht, dan had hij zich om niemand anders druk gemaakt. Maar door het feit dat het ene offer wel en het andere niet werd aanvaard, terwijl Adam (vzmh) en de rest van de familie toekeek, slaat Habiel maar een pover figuur. Hij krijgt het gevoel dat het de schuld van zijn broer is dat hij zo’n slechte indruk maakt.

jealous face
Dat is de mentaliteit van aandachtszoekers, net zo
als Iblies. Eigenlijk wou hij niet zozeer de waardering van Allah, maar die van de Engelen. Deze broer wil de erkenning van de omstanders, maar dan wordt zijn offer voor de ogen van iedereen afgewezen. In plaats van zich af te vragen wat hij fout heeft gedaan, meent hij dat het de schuld van zijn broer is dat hij zo’n mal figuur slaat. 

Stel, twee kinderen uit één gezin gaan naar school. De één haalt 95% op zijn toets en de ander 80. En mama geeft die met de 95 een stevige knuffel: “O wat ben ik trots op jou!” Die met 80% krijgt het gevoel alsof hij niet eens geslaagd is, al is 80 toch een mooi resultaat. Dan denkt hij: “Als ik mijn broer nu eens de trappen af gooi, dan blijf ik alleen over. En dan lijkt mijn 80 zo goed als 95! Door hem lijkt mijn 80 nu minder fraai. Zonder hem was er niets aan de hand, maar nu sta ik altijd weer in zijn (of haar) schaduw!” Dat is wat er in hun hoofd omgaat. Ze willen gewaardeerd worden, maar kunnen het niet laten zichzelf met anderen te vergelijken.

Hij haat de broer die het beter doet in plaats van zich af te vragen waarom Allah zijn offer niet aanvaardt. Het gaat erom Allah tevreden te stellen, maar hem stoort het alleen dat hij de erkenning van de mensen om hem heen mis loopt. Hij is zo boos dat hij zegt: “Ik maak je af!”

Het is niet niks wanneer iemand het punt bereikt waarop hij een ander dood wenst. Daaruit begrijpen we dat die twee niet gewoon op een dag een offer brachten, dat één ervan werd aanvaard en het ander niet en dat de ene broer besloot de ander te doden. Zo werkt het niet. Die vijandigheid wordt opgebouwd over een langere periode. Ergernis stapelt zich op en langzaamaan wordt het kookpunt bereikt. Dat is precies wat er ook met Iblies was gebeurd. 

Ook Iblies ergerde zich al een hele tijd. Lang voor Adam werd geschapen had Allah al aangekondigd dat Hij iemand zou creëren en zijn Ruh in hem zou uitstorten, en dat Hij daarna verwachtte dat iedereen zich zou neerbuigen voor die nieuwe schepping. De schepping van Adam was al een hele tijd aangekondigd en die hele tijd had Iblies zich eraan geërgerd, maar zweeg hij ook. Uiteindelijk is zijn woede dan toch aan het licht gekomen. Dat wil Iblies ook voor ons. 

Hij wil dat mensen
negatieve gedachten over anderen hebben,
dat ze zich ergeren
maar hun woede opkroppen.

Je slikt en slikt, tot je gevoelens zo giftig zijn geworden dat je zegt: “Ik maak je koud want door jou sla ik een slecht figuur!” Dat is wat er gebeurt met iemand die zo met zichzelf is begaan. Dat is de truc van de duivel. Eén van zijn namen in de Quran is mad’oem: iets wat wordt verbrijzeld, en dan nog en nog en nog in steeds kleine brokstukken. Zijn woede verplettert hem. Zijn negatieve gedachten maken hem kapot en dat wil hij ook voor jou, dat je kapot gaat aan dat soort gedachten: “Waarom hebben die dat wel? Waarom gaat het hen zo goed en niet met mij?” 

Dus zegt de ene zoon: “Ik sla jou dood!” En zijn broer antwoordt: “Allah neemt slechts van de godvrezenden aan. Wat maak je je druk om mij? Denk je dat Allah je offer daarna wèl zal aanvaarden?” Dat weet degene die op het punt staat zijn broer te vermoorden zelf ook wel, maar het kan hem niet schelen want het is nooit belangrijk geweest voor hem. En zijn broer zegt: “Je zit hier blijkbaar wat in de knoop, want Allah aanvaardt alleen de offers van mensen die zich bewust zijn van Allah en die zichzelf ervoor behoeden dat ze Allah teleurstellen.” 

Dan voegt hij daaraan toe (Ayah 18): “Ook al strek jij je hand naar mij uit om mij te doden, ik zal mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden.” Je moet goed begrijpen dat hij hier niet zegt dat hij zichzelf niet zal verdedigen. Hij zegt niet: “Als je me wil vermoorden, ga je gang.” Wat hij zegt, is dat hij – nu hij weet dat zijn broer hem wil vermoorden – niet eerst zèlf in de aanval zal gaan. Hij zegt zoveel als “Als je haat je zo ver heeft gebracht, dan ga ik niet hetzelfde doen. Zelfs als jij zo laag zinkt dat je mij wil vermoorden, dan nog vermoord ik jou niet.”
Je kent misschien wel de militaire term preventieve aanval: wanneer je weet dat een ander jou gaat aanvallen, ga je als eerste tot de aanval over. De ene broer heeft al gezegd dat hij de andere wil vermoorden, dus de tweede zou kunnen beslissen om uit voorzorg zèlf die eerste broer te doden. Hij zegt eigenlijk: “Denk maar niet dat je met jouw dreigement een reactie bij mij kan uitlokken en dat ik nu over jou ga denken zoals jij over mij denkt, dat ik een moord op jou ga plannen omdat jij dat met mij doet. Dat is het spelletje van de duivel en daar doe ik niet aan mee!”

Het toekomstige slachtoffer zegt hier dus echt wel iets indrukwekkends, want mensen die je haten en die hun haat zelfs uiten kunnen je paranoïde maken: “Wat zijn ze van plan?” En daardoor ga jij bedenken wat jij kan doen om hèn te grazen te nemen voor ze jou iets kunnen doen. In die situatie is de duivel voortdurend aan de slag: eerst zet hij de eerste aan om de andere te vernietigen en nu kan die tweede aan niets anders denken dan een manier om de eerste te vernietigen. Hij heeft ze allebei in zijn macht. Maar déze broer zegt dat hij zich niet laat meeslepen in dit spel. “Ik heb er niets aan om jou te vernietigen.” Maar nogmaals, dat betekent niet dat hij zichzelf niet zal verdedigen wanneer hij wordt aangevallen. 

En dan zegt hij: Ik vrees God, de Heer van de wereldbewoners.” Daarmee zegt hij: “Ik ben niet bang dat jij me wil doden. Waar ik wel bang voor ben, is dat ik iets zou doen wat Allah niet wil. Jij had bang moeten worden voor Allah toen Hij je offer niet aanvaardde, in plaats van boos te worden op mij. En nu wil je me ook nog vermoorden. Ik blijf Allah vrezen. Jou aanvallen zal mij niet baten. Mijn bescherming komt van Allah. Ik ga voor jou niet mijn vrees voor Allah overboord gooien en in plaats daarvan jou vrezen!” 

Dit leert ons om ons niet te laten
intimideren door de mensen die ons haten.
Blijf Allah vrezen.
Ga niet in tegen de regels van Allah.

En als je dat wel hebt gedaan,
toon dan berouw en Allah zal je beschermen.
Dat is de enige bescherming:
“Ik vrees God, de Heer van de wereldbewoners.” 

Blijkbaar escaleert de situatie dan. Er wordt gevochten. De ene broer slaat op zijn broer in en wil hem dus effectief doden. Dan komt een van de eigenaardigste Ayaat uit dit verhaal (Ayah 29): “Ik wens dat jij de zonde van mij en jouw zonde over je brengt en dan tot de bewoners van het vuur zult behoren. Dat is de vergelding voor de onrechtplegers.” 

De één zegt “Ik sla je dood!” en de ander antwoordt “Ik hoop dat je bij het Laatste Oordeel al mijn zonden overneemt en brandt in de hel!” Kan dit wel? Dit is toch wel grof… Het is inderdaad toegestaan als iemand je fysiek aanvalt en verwondt en je probeert te vermoorden. Dan mag het slachtoffer zeggen: “In deze wereld ga ik niet in de tegenaanval, maar ik vraag Allah dat Hij mijn zonden op jouw rekening zet. Dat jij mij hier en nu schade berokkent, zal mij op de Dag des Oordeels voordeel opleveren.”
Je hebt al wel geleerd dat iemand die kwaad over je spreekt je daardoor zijn goede daden schenkt. Hier zegt de broer niet dat hij de goede daden van zijn broer wil krijgen. Het lijkt wel of hij aan zijn broer zegt: “Zoveel goede daden heb je toch al niet. Dus ik hoef je goede daden niet, maar ik wil wel dat die Dag mijn zonden op jou worden overgeladen, bovenop je eigen zonden. En dan zal je branden in de Hel! Wat bereik je door mij te vermoorden?”

Hoe denk je dat jouw Rizk verbetert
wanneer je een ander kwaad berokkent?

De duivel heeft al zoveel mensen ten gronde gericht. Zijn de woede en haat in zijn hart daardoor ooit bekoeld? Dus als je iemand anders kwaad doet, denk je dan dat je je beter zal voelen? Helemaal niet! En zeker niet als het voortkomt uit misplaatste jaloezie en woede. In plaats van je af te vragen wat je zelf hebt misdaan, vergelijk je jezelf met een ander en wil je hen kwaad doen.

Je woede blijft branden in dit leven,
en je zal pas ècht branden in het leven hierna!

Dan zegt Allah: “Toen zette hij zich ertoe aan om zijn broer te doden en hij doodde hem en zo ging hij tot de verliezers behoren.” Zijn eigen innerlijk overtuigde hem om te doen wat hij voelde, om er een einde aan te maken. Dat zijn broer hem waarschuwde voor de hel, maakte hem nog bozer en hij pleegde de moord. En wanneer hij dat doet wordt hij, zoals Allah het beschrijft, een verliezer. Hij dacht dat hij hier iets mee zou winnen, maar het enige resultaat is verlies. 

Iblies heeft Allah beloofd
dat hij ons van alle kanten zou aanvallen.
Iblies wil dat wij voelen wat hij heeft gevoeld.
Iblies haat mensen en dus wil hij
dat mensen andere mensen haten.

Allah heeft dat trouwens zelf beschreven: “Jullie zullen vijanden worden voor elkaar.” Hoe? Door dezelfde weg te volgen als de duivel. Dat is wat de Moslims leerden toen ze op het punt stonden
om meer en meer in contact te komen met Christenen en Joden. Die zouden zeggen: “Waarom hebben zij een Boek? Waarom denken zij dat hun godsdienst de juiste is?” Ze zouden vergelijken, er zou wrijving ontstaan. 

Allah herinnert ons èn hen eraan
dat we nog altijd
kinderen van Adam zijn,
en dat we op onze hoede moeten zijn
om niet diezelfde jaloezie en
vijandige gevoelens te ontwikkelen.

Maar hoe kunnen Moslims deze les in de praktijk omzetten, als een voorbeeld voor anderen, als we daar nog niet eens in slagen binnen onze eigen familie, in ons privéleven?! Als wij die les vergeten, als wij diezelfde negatieve gevoelens tegenover anderen koesteren en zij tegenover ons, hoe kunnen we dan ooit een Hudja – leiding, voorbeeld – zijn voor de volkeren om ons heen die van ons over de schoonheid van de Islam moeten leren? 

In wat wij doen....png

In wat wij doen, moeten de anderen zien
hoe mooi en krachtig de Islam is.

Het probleem van die negatieve gevoelens tegenover anderen is de allereerste les die Allah heeft uitgekozen uit alles wat de mensheid nog te wachten stond. In een volgende Khutbah probeer ik dieper in te gaan op de lessen die we uit dit verhaal kunnen trekken.

 

Het Ramadanvers: De uitdaging

Samengevatte vertaling van “The Ayah of Ramadan – part 10”
In de Quran staat slechts één Ayah die heel specifiek de Ramadan vermeldt. Die Ayah staat in Soerah Baqarah en het is een lange Ayah, met meerdere uitdrukkingen. Elk van die zinsneden bevat lessen voor ons. Daar willen we in de komende sessies op ingaan, als opwarming voor de Ramadan die voor de deur staat. Moge Allah ons die Ramadan laten bereiken, hem van ons aanvaarden en toestaan dat we hem ten volle benutten.

Ayah Ramadan part 1

“Hopelijk zullen jullie dankbaar zijn”

Lees verder

Het Ramadanvers: Allahu Akbar

Samengevatte vertaling van “The Ayah of Ramadan – part 9”
In de Quran staat slechts één Ayah die heel specifiek de Ramadan vermeldt. Die Ayah staat in Soerah Baqarah en het is een lange Ayah, met meerdere uitdrukkingen. Elk van die zinsneden bevat lessen voor ons. Daar willen we in de komende sessies op ingaan, als opwarming voor de Ramadan die voor de deur staat. Moge Allah ons die Ramadan laten bereiken, hem van ons aanvaarden en toestaan dat we hem ten volle benutten.

Ayah Ramadan part 1

“Prijs Allah’s Grootheid omdat Hij jullie leiding schonk”

Lees verder

Het Ramadanvers: Streven naar perfectie

Samengevatte vertaling van “The Ayah of Ramadan – part 8”
In de Quran staat slechts één Ayah die heel specifiek de Ramadan vermeldt. Die Ayah staat in Soerah Baqarah en het is een lange Ayah, met meerdere uitdrukkingen. Elk van die zinsneden bevat lessen voor ons. Daar willen we in de komende sessies op ingaan, als opwarming voor de Ramadan die voor de deur staat. Moge Allah ons die Ramadan laten bereiken, hem van ons aanvaarden en toestaan dat we hem ten volle benutten.

Ayah Ramadan part 1

“Zodat jullie het aantal (dagen) vol maken”

Lees verder

Het Ramadanvers: Gemak kost moeite

Samengevatte vertaling van “The Ayah of Ramadan – part 7”
In de Quran staat slechts één Ayah die heel specifiek de Ramadan vermeldt. Die Ayah staat in Soerah Baqarah en het is een lange Ayah, met meerdere uitdrukkingen. Elk van die zinsneden bevat lessen voor ons. Daar willen we in de komende sessies op ingaan, als opwarming voor de Ramadan die voor de deur staat. Moge Allah ons die Ramadan laten bereiken, hem van ons aanvaarden en toestaan dat we hem ten volle benutten.

Ayah Ramadan part 1

“…en Hij wenst niet voor jullie het ongemak.”

Lees verder